Sondevoeding is een gebruiksklare vloeibare voeding voor medisch gebruik. De voeding wordt via een slangetje direct in de maag of in de darm toegediend. De voeding is in verschillende samenstellingen verkrijgbaar en wordt, in overleg met de patiënt, op advies van een medisch professional voorgeschreven. Deze voeding wordt voorgeschreven als gewoon eten niet of onvoldoende kan of mag. Sondevoeding kan zowel in het ziekenhuis als thuis gebruikt worden.

 

 

Waarom sondevoeding?

Wanneer het een langere tijd niet mogelijk of wenselijk is om te eten en drinkvoeding geen oplossing biedt, kan sondevoeding worden ingezet. Sondevoeding kan ook aanvullend worden gegeven wanneer een patiënt niet voldoende kan eten.

Hierdoor kan de druk van het zelf moeten eten wegvallen en pijnklachten worden verminderd kunnen worden waardoor er rust optreedt en stress wordt verminderd.

Daarnaast kan het slangetje van de sondevoeding ook gebruikt worden om vloeibare medicijnen toe te dienen. Dit kan echter wel leiden tot het sneller verstopt raken van de sonde, het is belangrijk om na toediening van medicatie de sonde goed door te spoelen met lauw water.

Neus-maagsonde (1): Een veel gebruikte methode om sondevoeding toe te dienen is via de neus-maagsonde. Hierbij wordt het uiteinde van het slangetje (de sonde) door de neus via de keel en slokdarm naar de maag gebracht. Dit kan door een verpleegkundige of een arts gedaan worden. Sondevoeding mag nooit in de longen komen. Daarom moet de ligging van het slangetje goed worden gecontroleerd. Dit wordt gedaan door met een spuit vocht op te zuigen en hiervan de pH (zuurgraad) te meten. Maagsap is zuur en heeft een hele lage pH; hierdoor is goed vast te stellen of de sonde in de maag ligt.

Bij een sonde via de neus in de maag, blijft de toegang tot de maag altijd een klein stukje open waardoor voeding terug in de slokdarm kan lopen en vervolgens in de longen kan komen. Hierdoor is het belangrijk dat men een beetje rechter op slaapt en het hoofdeinde van het bed wat omhoog wordt gezet. Wanneer er bij een patiënt een verhoogd gevaar voor verslikken is, kan er gekozen worden om alleen overdag via de sonde de voeding toe te dienen of in porties. Dit verlaagt de kans op het teruglopen van de voeding in de longen.

Neus-duodenumsonde of neus-jejunumsonde (neus-darmsonde): Hierbij gaat het slangetje door de neus, via de keel en slokdarm voorbij de maag en het uiteinde komt dan in de dunne darm te liggen. Het slangetje wordt alleen in de darm gelegd wanneer er problemen in de maag, galblaas of alvleesklier zijn. Bij een dergelijke sonde moet met een camera (endoscopie) of röntgen gecontroleerd worden of de sonde goed zit.

De neus-maagsonde heeft de voorkeur boven de neus-darmsondes omdat alle verteringsfuncties in het maagdarmkanaal als gebruikelijk verlopen, zoals de productie van maagzuur en gal- en pancreassap. De neus-maagsonde is echter niet altijd een optie, bijvoorbeeld als er niet over de maag gevoed kan of mag worden.

Gastrostomie (2) of jejunostomie (3): Bij een gastro- of jenunostomie wordt er via een kunstmatig aangelegde opening in de buikwand een sonde naar de maag (gastrum) of darm (jejunum) gebracht. Er is een kleine operatie nodig om dit mogelijk te maken. Deze vorm van voeden wordt toegepast wanneer een slangetje via de neus en slokdarm niet mogelijk is of te veel risico met zich meebrengt. Ook wanneer verwacht wordt dat de patiënt een lange periode op sondevoeding is aangewezen, kan deze weg gekozen worden door de arts. Er zit dan geen zichtbaar slangetje in de neus. Een gastrostomie wordt ook wel PEG genoemd, een jejunostomie PEJ.

Welke sondevoeding?

Sondevoeding is er in diverse samenstellingen. Het berekenen en kiezen van de juiste soort en hoeveelheid voeding komt nauw. Het is daarom belangrijk dat een diëtist een persoonlijk voedingsplan voor de sondevoeding maakt, afhankelijk van de individuele voedingsbehoefte van de patiënt. Bij spoed kan door de arts of verpleegkundige een sonde worden ingebracht en worden begonnen met een standaard voedingsplan, waarna de diëtist erbij betrokken wordt om het persoonlijk plan te maken. Daarin wordt vastgelegd of de sondevoeding de behoefte volledig dekt of aanvullend is op gewone voeding, welk type sondevoeding in welke hoeveelheid geschikt is, en wat de beste toedieningswijze is (per portie of continu) en wanneer de sondevoeding gestopt zal worden.

Hoeveel sondevoeding?

De hoeveelheid sondevoeding wordt vaak in stappen opgebouwd tot de benodigde hoeveelheid sondevoeding is bereikt. Dit is vooral belangrijk als iemand lang niet of te weinig heeft gegeten. In dat geval wordt meestal de eerste dagen bloed afgenomen om te kunnen bepalen of het lichaam de snelheid van toediening goed kan verdragen. Soms is het nodig om bepaalde voedingsstoffen extra toe te dienen.

Wanneer een patiënt weer voldoende zelf kan en mag eten, wordt er een afbouwschema gemaakt en kan de patiënt weer rustig wennen aan gewone voeding. Als het mogelijk is blijft de patiënt tijdens de periode van sondevoeding dranken of vloeibare voeding en soms ook vaste voeding gebruiken. De slikspieren blijven dan in gebruik en het herstel naar gewone voeding verloopt daardoor beter.

Wanneer en op welke wijze sondevoeding?

Sondevoeding kan op verschillende manieren worden gegeven: continu met een pomp of in porties via een spuit. In het persoonlijke voedingsplan wordt vastgelegd of de patiënt de hele dag of een deel van de dag of nacht sondevoeding krijgt. Het tijdstip van toedienen van de sondevoeding kan soms ook een groot verschil maken voor de patiënt. Voor de een is het prettiger om juist ’s nachts sondevoeding te krijgen, terwijl het voor een ander prettiger is om het overdag te gebruiken. Bij een patiënt die wel kan eten maar niet voldoende binnen krijgt, kan ervoor gekozen worden om de sondevoeding alleen ‘s nachts te geven en overdag het slangetje los te koppelen. De patiënt kan dan overdag normaal proberen te eten.

Met een spuit worden porties (bolus) sondevoeding toegediend als maaltijd en tussendoor. Voordeel van de sondevoeding in porties krijgen is dat de maag en darmen niet continue gevuld zijn en natuurlijker functioneren, en dat de patiënt niet continue aan een pomp verbonden is. Per persoon wordt gekeken welke manier van toediening het meest geschikt is.

Sondevoeding in het ziekenhuis of thuis

Sondevoeding wordt vrijwel altijd gestart in het ziekenhuis. Dit kan zowel tijdens een opname, dagopname of op de polikliniek zijn. De sondevoeding kan na ontslag uit het ziekenhuis thuis voortgezet worden. In de meeste gevallen wordt de thuiszorg ingeschakeld om te assisteren bij de sondevoeding, bijvoorbeeld bij het wisselen van de sonde. Maar vaak kan de patiënt dat ook heel goed zelf leren.

Hoe zit het met vergoeding?

Sondevoeding en de benodigde materialen worden vergoed vanuit de basisverzekering. Er kunnen wel vanuit de zorgverzekering eisen zijn wanneer de vergoeding start. De diëtist is daarvan op de hoogte.

Wat moet ik doen wanneer ik op vakantie ga?

Afhankelijk van waar en hoe lang u op vakantie gaat, is het goed om bepaalde maatregelen te nemen. Neem contact op met het bedrijf, die de sondevoeding levert, waar u op moet letten bij uw vakantie.